De Landelijke Gilden hebben tot doelstelling het verdedigen van de belangen van de plattelandsbewoners en het meebouwen aan een goede verstandhouding tussen de bewoners van het platteland.
Vanuit deze doelstellingen ontwikkelde de Landelijke Gilde Gits ‘De serretoer’, een leerpad dat toont waarvoor de moderne glastuinbouw staat. Het zijn familiebedrijven die gebruik maken van moderne en milieuvriendelijke teelttechnieken. Geïntegreerde teelt is niet zomaar een modewoord, want de teler doet dagelijks inspanningen om kwaliteitsproducten op de markt te brengen, geteeld met respect voor het milieu.
Gedurende de tocht komt u ook langs stukjes cultureel erfgoed van Gits. Zo kunt u gaandeweg leren dat de ontwikkeling van Gits als plattelandsdorp en de ontwikkeling van de land- en tuinbouw hand in hand gingen. Immers, vroeger was de samenhang tussen de diverse bewoners van het platteland zeer intens. Door de specialisatie is dit rechtstreekse contact een stuk weggeëbd.
Met ‘De serretoer’ wil de Landelijke Gilde Gits u daarom graag wat bijbrengen over de ontwikkeling van de glastuinbouw tot een sector die het jaar rond kwaliteitsproducten voortbrengt. De productiemethoden die daarvoor gebruikt worden zijn de meest vooruitstrevende en milieuvriendelijkste van Europa. Zo zorgen deze bedrijven er voor dat u elke dag gezonde groenten kunt eten.
Wij hopen dat u ervan geniet...
1.
De molen
De Onledemolen - molen op Onlede - staat hier heel recent. Hij werd opgebouwd en tegelijkertijd hersteld van 1980 tot 1982. De molen kende hiervoor reeds een rijk gevulde levensloop en sierde menig landschap.
De molen komt oorspronkelijk van West-Kapelle en de vroegste datering in de molen spreekt van 1770. In dat jaar viel de molen om en werd hij opnieuw opgebouwd. Na vele jaren dienst in WestKapelle verhuisde de molen naar Gits.
Op de wijk Grjspeerd moest hij een molen vervangen die de terugtrekkende Duitsers in 1918 in brand hadden gestoken. De verhuis had heel wat voeten in de aarde. Gelukkig passeerde in West-Kapelle de tramroute en konden alle onderdelen langs die weg tot ‘t Hooghe in Hooglede worden vervoerd. Van daar werd alles met karren tot op wijk Grijspeerd gebracht.
In die periode had Gits nog 9 molens. Elke molen maalde het graan tot meel voor de boeren wonende binnen een straal van een paar kilometer. Een 100-tal boeren lieten hun meel malen door de Grijspeerdmolen. Aanvankelijk werd als vergoeding een percentage van het meel ingehouden, later moest voor de dienst met geld betaald worden. Het meel van tarwe werd gebruikt voor brood. Men bakte dit zelf of het werd geleverd aan bakkers. Rogge. haver en gerst vormden de grondstof voor dierenmeel.
0p 2de kerstdag 1964 brak van de molen een wiek af en draaide hij niet meer. Totdat hij in 1982 zijn werkzaamheden hervatte op Onlede. Aanvankelijk was de molenaar Laurent Vandenberghe (afstammeling van Jules Vandenberghe die de molen tot in Gits bracht). Recent werd de fakkel overgedragen aan Marc Lievens.
2.
De spoorwegbocht
Wanneer u bij de spoorweg
komt, merk je dat de spoorlijn een bocht maakt. Volgens ingewijden gaat het hier
om de langste spoorwegbocht van België. Deze bocht was nodig om de trein rond
de klei bult van de zogenoemde Heihoek te laten rijden. Dit is nodig omdat
treinen weinig wrijving hebben en daarom slechte klimmers zijn.
Het hoogste punt van de
Heihoek ligt in het midden van de houtwal en is 47,5 m hoog. Deze is niet
te beklimmen voor een trein, maar het levert prachtige vergezichten op!
Ondanks de hoge ligging van
de Heihoek vertonen bepaalde delen een duidelijke komvorm en zijn dus moeilijk
af te wateren. Ze waren moeilijk als akker te bewerken en werden daarom bos
gelaten. In kaarten van 1775 was er in de buurt een oost-west-gericht bos.
‘Huywynsbosschen’ genaamd. Wat er in 1940 van overbleef werd in W.O. II
grotendeels gerooid. Enerzijds stonden de kolen ‘op de bon’ en werd er
aardig wat aan sluikkappen gedaan. Anderzijds rooide de Duitse bezetter heel wat
bos bij het aanleggen van een schietbaan.
De Heihoek en de Houtwal
hebben door hun grote hoogte in vergelijking met de vlakke omgeving nog een
andere functie. Ze vormt immers een onderdeel van de “Kam van Vlaanderen” .
Dit is een hoger gelegen gebied dat van Tielt in het Oosten, over Pittem,
Kooiskamp (met de radartoren), de Heihoek, Gitsberg, Hooglede naar de heuvels
ten zuiden van leper gaat (Kemmelberg, Rodeberg, Kasselberg). Dit vormt de
waterscheidingskam tussen het ijzerbekken en het Scheldebekken. Het ijzerbekken
ligt in het noorden en wordt gevoed door de Zwanebeek en de Handzamevaart. Het
Scheldebekken ligt in het zuiden en wordt gevoed door de Krombeek, de Mandel en
de Leie.
3. Tomaat en komkommer onder glas op substraat
Dit bedrijf teelt in het voorjaar komkommer op substraat en vanaf de zomer tomaat op substraat. Substraatteelt wil zeggen dat men planten niet langer in de grond plant, maar op steenwolmatten, kokosmatten, emmers gevuld met kokos of perliet, … Dit zijn allemaal substraten die verkregen worden door bewerking van natuurlijke producten.
De keuze om niet langer te planten in de grond heeft verschillende redenen. Ten eerste wordt door jaarlijks of tweejaarlijks vervangen van het substraat, de ziektedruk van enkele hardnekkige schimmels laag gehouden. Ten tweede kan men de voeding van de plant veel beter bijsturen op substraat dan in de grond. Dit maakt het mogelijk dat onze Belgische bedrijven bijna jaarrond een kwaliteitstomaat of
—Komkommer kunnen produceren die u herkent aan het Flandrialabel.
Doordat in dit type serre praktisch jaarrond een vruchtgewas (tomaat, komkommer, paprika, aubergine, …)aangeplant staat, kwam de biologische bestrijding in dit soort teeltsystemen als eerste tot ontwikkeling. Biologische bestrijding is immers gebaseerd op een biologisch evenwicht tussen plaag en bestrijder. Dit vergt een voldoende lange teeltduur. Op vandaag worden insecten praktisch uitsluitend bestreden door hun natuurlijke vijanden.
4.
Tomaat onder glas in de grond geteeld
Op dit bedrijf wordt aan vruchtwisseling gedaan. ‘s Winters wordt er kropsla geteeld in de serre. ‘s Zomers zijn het tomaten. De teeltduur van tomaat is in dit geval meestal veel korter dan bij een teelt van tomaat op substraat.
Dit type teelt bestaat al veel langer dan de substraat teelt. Toch blijft ook hier de ontwikkeling niet stilstaan. Een eerste belangrijke vernieuwing binnen zowel grondteelt als substraat teelt situeert zich rond 1995. Sinds dan kan men niet meer spreken over ‘een’ tomaat, maar werden Barontomaten (vleestomaat), Prince-tomaten en een reeks trostomaten ingevoerd. In deze ‘tomatensegmenten’ worden slechts een beperkt aantal kwaliteitsrassen toegelaten. Dit was ongetwijfeld een belangrijke stap voor de opbouw van de internationale faam die onze kwaliteitstomaat geniet. Er is nu immers de keuze tussen verschillende soorten tomaat naargelang de bestemming van de tomaat.
Ook in deze kortere (grond)teelt van tomaat worden reeds heel wat plantschadelijke insecten biologisch bestreden. De bevruchting van de bloemen gebeurt door hommels. Om ziektes aan wortel of stengel veroorzaakt door bodemschimmels te voorkomen, werden resistente onderstammen geselecteerd.
Verder werd de watergift voor deze teelt geoptimaliseerd door de invoering van T-tape. T-tape is een darm waarbij op vaste afstanden sneetjes aangebracht zijn. Deze maken een druppelsgewijze toediening van water mogelijk. Hiermee bespaart men aanzienlijk op water. In het water zijn voedingselementen voor de tomatenplant aanwezig. Doordat deze eveneens dicht bij de wortel terechtkomen, kan ook daarop bespaard worden.
5.
Het eerste glastuinbouwbedrijf
in Gits: een terugblik op een rijke tuinbouwgeschiedenis
Het bedrijf waar nu de gebroeders Vanacker een tuinhouwbedrijf uitbaten, was vroeger eigendom van Miel Gevaert. Miel Gevaert was de grondlegger van de (glas)tuinbouw in Gits.
In 1932 bouwde hij een serre (warenhuis) van 800 m2 met betonnen onderbouw. Hij was daarvoor naar het Westland in Nederland gaan kijken met een collega die een gelijkaardige serre bouwde in Roeselare. Deze serre diende voor de opkweek van de bloemkoolplanten (vroege teelt of weeuwenteelt). De opkweek van de bloemkoolplanten werd gevolgd door een teelt sla en een teelt tomaat. Waar nu de glastuinbouw gekenmerkt wordt door verregaande specialisatie (bvb. jaarrond sla, substraatteelt tomaat), was er vroeger een veel grotere variatie aan teelten. De oorzaak is te zoeken in een beperkter rassen assortirnent en de mindere technische mogelijkheden destijds. Zo haalde Miel aanvankelijk zijn bloemkoolzaad hij goede telers in Mechelen. Later selecteerde hij zelf nieuwe telers rassen.
Het bedrijf van Miel Gevaert stond open voor iedereen die interesse had. Verder was hij medeoprichter van de veiling REO in 1945. Deze is ontstaan en gegroeid uit de verplichte leveringen aan de landbouwcoöperatie, toen aan de vaart in Roeselare.
Miel kende snel navolging en de informatieoverdracht ging vlot. De hoerenzonen uit de omgeving gingen immers in de zomer en in drukke perioden helpen. Op hun beurt stichtten ze zelf een bedrijf en hadden ze ook weer ‘leerjongens’. Verder kwamen ook een aantal tuinders samen en gaven zo het ontstaan aan de H. Divothea. Nog later speelde ook de Boerenbond hierop in mei voorlichtingsvergaderingen, privé-bezoeken en wandelvoordrachten.
6.
Stevenisten: een stuk van de Gitse geschiedenis
In het begin van de jaren 1800 werd door Napoleon het “zwart goed” van de kerk (dit is grond van de kerkfabriek) aangeslagen als gevolg van de Organieke Artikelen. Door de verkoop van zwart goed werden de priesters dan ook door de staat betaald.
De Stevenisten, volgelingen van Cornelius Stevens, bleven zich echter verzetten tegen de Organieke Artikelen. De gematigde Stevenisten waren vooral in Waals Brabant sterk vertegenwoordigd, maar na het vertrek van de Fransen in 1814 verdwenen zij als groep. Een kleine groep extremisten bleef van oordeel dat de bisschoppen door het aanvaarden van de Organieke Artikelen, ontrouw waren geworden aan Rome en een soort staatskerk hadden gevormd. Ze verbraken de gemeenschap met de bisschoppen en de door hen aangestelde pastoors en vormden een niet-hiërarische sekte. Deze bestond uit de groep Namen - Doornik, geleid door pastoor Theys uit Jumet, de groep Brabant met pastoor Winnepennickx te Leerbeek en de groep West-Vlaanderen te Gits.
in Gits en Leerbeek zijn er nog steeds Stevenisten. De vroegere eigenaar van het bedrijf waar nu serres op staan, behoorde was een Stevenist. Hij stelde destijds een weide ter beschikking voor de oprichting van de voetbalploeg van Gits waar nu de serres staan. In 1968 werd “Het verdwenen landgoed der Stevenisten” van de hand van R.C. Gitsberg uitgegeven door Roularta te Roeselare. R.C. Gitsberg is het pseudoniem van Rudolf Callewaert, gewezen hoofdonderwijzer te Gits.
7. Aardbeien onder glas op substraat
Aardbeien kan men telen in de volle grond maar ook in emmers, bakken of zakken (het zogenaamde ‘substraat’ teelt). Het substraat dat in dit geval gekozen wordt is veen of potgrond. Aardbeien worden bijna het hele jaar rond geteeld, van half april tot half januari.
Van eenzelfde plant op substraat kan twee keer geplukt worden: een eerste keer in het najaar, een tweede keer in het voorjaar. Dit is een heel arbeidsintensief werk. De teelt op goten is ook hier gedeeltelijk een zoektocht om het vele werk makkelijker en lichter te maken. Daarnaast kan op een beperkte oppervlakte meer rendement gehaald worden doordat men twee keer per jaar plukt.
De aardbeien worden bevrucht door hommels en/of bijen. Hommels werken beter en liever bij minder warm weer. Bijen zijn het actiefst bij warm weer.
De nodige voeding voor de aardbeien is gedeeltelijk aanwezig in de potgrond. Daarnaast wordt er aangevuld via druppelaars. Zo krijgt de plant in ieder groeistadium de gewenste hoeveelheid voeding.
Het meest geteelde ras in België is: ‘Elsanta’. Dit ras combineert mooie grote aardbeien met een uitstekende smaak en stevigheid. Tot op heden is dat het belangrijkste ras dat deze belangrijke kenmerken in zich heeft. De teelt van Elsanta is een Vlaamse specialiteit en heeft internationale faam. Er is recent ook interesse voor een nieuw ras ‘Darselect’ dat vroeger in productie komt met mooie, grote vruchten en zoete vruchten als resultaat.
8. Krulandijvie: een specialiteit om te telen
Op
dit bedrijf wordt krulandijvie geteeld. De telers in West-Vlaanderen die in deze teelt zich gespecialiseerd hebben, zijn op 2 handen te tellen. Het is een teelt die veel ‘stielkennis’ vraagt en waarvan het geheim tot een succesvolle teelt van vader op zoon overging.Krulandijvie wordt door de handel en consument vooral gewaardeerd om zijn bleek hart. Voor het bleken van de hartbladeren zijn er verschillende technieken. De Gitse krulandijvietelers hebben al altijd de hartbladeren toe gebonden, aanvankelijk met ijzerdraad, nu met elastieken. In het zuiden van Frankrijk gebruikte men witte deksels die op het hart van de plant geplaatst werden. Deze techniek werd in Gits korte tijd beproefd, maar al snel werd terug op het samenbinden van de hartbladeren overgeschakeld.
Het bleken van de hartbladeren is nu net het knelpunt. Tijdens deze fase van de teelt is de plant immers zeer gevoelig. Te weinig transport van voedingselementen naar de hartbladeren leidt uiteindelijk tot rotting en een onverkoopbaar product. Het geheim van de teelt zit erin om dit te voorkomen door een aangepaste watergift en voeding van de plant.
De telers van krulandijvie hechten ook heel veel belang aan de sortering van hun oogst. Elke krop wordt immers gewogen en per 50 gram wordt een aparte gewichtsklasse gemaakt.
9. ‘t Kapelletje van Banneux
Dit kapelletje is totaal verschillend van andere kapelletjes in Gits. Het werd opgericht door Arthur Bevernagie-Lagrou, de oom van Andre Vanwijmelbeke. Ze deden dit om zijn behouden terugkeer uit krijgsgevangenschap tijdens WO. II af te smeken. De architect ervan was pastoor Seynhaeve en de aannemer Jules Vandewalle Het werd gemetseld door Jules Vancompernolle.
De naam kapel van Banneux heeft alles te maken met het bouwtijdstip. Banneux was in die tijd immers erg in de mode. In het gehucht Banneux, gelegen in de provincie Luik, zouden er 8 verschijningen geweest zijn tussen 5 januari en 2 maart 1933. Daarom werd er in 1948 een bedevaartskerk gebouwd. Onder impuls van pastoor Seynhaeve koos men voor dit type kapel omdat er nog geen dergelijke kapellen in Gits bestonden. Nu prijkt ze hier met haar 2 kleurrijke brandramen en met langs beide zijden een paardekastanje.
10. Veldsla onder glas
De teelt van veldsla onder glas nam de laatste jaren een enorme uitbreiding. De bedrijfsleider van dit bedrijf startte de teelt als één van de eersten.
Veldsla kan vandaag de dag zowel gezaaid als geplant worden. Vroeger werd er gedurende het hele jaar geplant. Nu gebeurt dit enkel nog in de winter omdat de groei dan veel trager is. Doordat men dan plant, spaart men dan toch een paar weken groei uit. De opkweek van de plantjes gebeurt door gespecialiseerde plantenkwekers.
Door de verbetering van de zaaitechniek (men is nu in staat om op een exacte tussenafstand te zaaien, d.i. precisiezaai) is het zaaien van veldsla enorm toegenomen. Het betekent voor de teler zowel een besparing op plantgoed als een besparing op arbeid. Vooral in de zomer wanneer alles toch voldoende snel groeit, wordt daarom meer en meer gekozen voor het zaaien van veldsla.
Door de techniek van zaaien moest ook de teelttechniek zich aanpassen. Om een gelijkmatige opkomst te verkrijgen, moet de teler de watergift heel goed beheersen. Wanneer er veel zon is kan het zowel voor opkomst als voor de verdere teelt belangrijk zijn de veldsla te beschermen tegen te felle zon. Daarom zie je in de zomer vaak dat een serre volledig ‘afgekrijt’ is, d.w.z. dat ze volledig bedekt is met een laagje wit krijt. In de winter echter maakt men het glas schoon om de schaarse zon in die periode optimaal te kunnen opvangen.
11. Kropsla onder glas
Op dit bedrijf wordt het jaar rond kropsla onder glas geteeld. Om het vele werk gemakkelijk te kunnen doen en omdat er gekozen werd voor één enkele teelt werd verregaand gespecialiseerd.
Het planten gebeurt met een speciale slaplantmachine. Zo wordt het arbeidscomfort bij het planten heel wat verbeterd. Er worden dan ook 4 tot 5 teelten sla per jaar in deze serres geteeld.
Voor bemesting, gewasbescherming en watergift krijgt de teler wel advies, maar hij beslist uiteindelijk zelf op basis van zijn kennis. Voordat de oogst kan beginnen, wordt de interne kwaliteit (d.i. wat voor het oog niet rechtstreeks zichtbaar is) uitvoerig gecontroleerd door staal name en analyse van een aantal kroppen. Pas als dit resultaat gunstig is, kan de oogst beginnen. Deze zogenaamde vooroogst - controle is standaard bij alle bladgewassen in serres geteeld. Een Flandria-label geeft aan dat de groenten op alle gebied aan de strengste voorwaarden van de veiling voldoen.
Ook het oogsten van de sla gaat vlot door het plaatsen van een oogstband. Een oogstband is een reeks transportbanden die de geoogste sla direct naar de verpakkingsruimte brengen. Daar wordt het onderblad verwijderd, wordt de sla op gewicht gesorteerd en verpakt. Daarna worden de kisten met vers water afgespoeld. Als er een vol palet geoogst is, brengt de teler ze naar de koelruimte. Diezelfde dag brengt men de sla nog naar de veiling. De sla wordt op dezelfde dag of de dag erop geleverd aan de winkel. U ziet het, dankzij de hoge mate van specialisatie en de bijzondere zorgen van de teler krijgt de winkel garantie op een vers kwaliteitsproduct.
12.
Café Den Engel: om eens te verpozen, maar ook een rijke geschiedenis als
cichoreidrogerij en verzamelplaats voor verkoop van witloof
Café Den Engel werd in 1 929 de eerste verkoopplaats van witloof in
Gits. Onder impuls van onder pastoor Duyvewaert, proost van de
Boerenbond, startten kwekers als August Maes, Gustaaf Decorte,
Victor Ooghe en Henri Wydooghe met het telen van witloof.
Een thermosifon (d.i. een buissysteem langs de planten om de grond
te verwarmen) bespoedigde toen de groei van het witloof.
Uit Beernern kwam Michiel Lootens het witloof opkopen, om het daarna in Noord-Frankrijk te verkopen. De conische manden waren voorzien van papier en stro om het witloof te beschermen tegen het transport per vrachtwagen en om groenverkleuring van het witloof te voorkomen.
Achter “Den Engel” bevindt zich nog een droogast waar vroeger wortels van cichorei werden gedroogd, gebrand en fijngemalen tot “frut”. Gezien de schaarsheid van koffie toen (door o.a. blokkades in de havens), was cichorei een smaakvol en zelfs gezonder surrogaat.
Dit initiatief kwam tot stand met steun van
Cera Foundation
De Landelijke Gilden
De Provinciale Landbouwkamer van West-Vlaanderen
Het gemeentebestuur van Hooglede-Gits